Reinoud van Vught

Naturen - schilderijen en werken op papier

8 sept 2007 - 6 jan 2008
werk in collectie

Reinoud van Vught (Goirle 1960) is een schilder pur sang, een schilder die de activiteit van het schilderen zelf tot zijn belangrijkste thema heeft gemaakt. Samen met Marc Mulders, Paul van Dongen, Ronald Zuurmond en de beeldhouwer Guido Geelen vormde hij de Tilburgse School, een samenwerkingsverband tussen vijf bevriende kunstenaars, dat tussen 2002 en 2006 resulteerde in een aantal gezamenlijke projecten en tentoonstellingen. Zo was ruim een jaar geleden in De Pont nog hun presentatie Ark van Noach III te zien.

De Pont volgt de ontwikkelingen van Van Vught al jaren. In 1994/95 kreeg de kunstenaar een jaar lang de beschikking over het grote gastatelier (het huidige auditorium), een werkperiode die werd afgesloten met de expositie Vijf werken op papier. De tentoonstelling die De Pont thans aan zijn werk wijdt, is breder van opzet en omvat circa veertig schilderijen en werken op papier. De nadruk ligt op de recente schilderijen, aangevuld met een aantal sleutelwerken uit eerdere jaren.

Kenmerkend voor de schilderkunst van Van Vught is de grote visuele verscheidenheid. In zijn schilderijen en werken op papier past de schilder niet één, maar vele manieren van schilderen toe. Dat geldt niet alleen voor de werken onderling, ook in de afzonderlijke schilderijen worden  verschillende benaderingen tegen elkaar afgezet. Zo ook in een aantal recente schilderijen, waarin organische vormen in een grijsblauwe ruimte lijken te zweven en deels aan het oog worden onttrokken door sluierachtige weefsels. De abstracte kleurruimte is opgebouwd uit talloze, kleine kleurvlekjes die op het doek zijn gespikkeld. De organische vormen zijn geschilderd in een draaiende beweging, terwijl de sluierachtige configuratie is ontstaan doordat witte verf met een recht voorwerp en in een brede beweging krachtig over het doek is getrokken. Treft in deze werken de ijle subtiliteit, in andere is de materialiteit juist een opvallend gegeven.

In de vroegste werken op de tentoonstelling lijkt de dikke verfhuid bijna geboetseerd. Deze werken uit ca.1990, vormen een sleutel voor Van Vughts benadering van de schilderkunst. De manier waarop ze zijn ontstaan is even simpel als verrassend. In deze jaren had Van Vught zijn atelier op de zolder van een voormalig klooster in Tilburg. De Mariabeeldjes, crucifixen en andere parafernalia die hij daar aantrof, dienden als motief. Niet tevreden over zijn pogingen om deze voorwerpen na te schilderen, drukte hij een kruisbeeld letterlijk af in de dikke laag verf op het doek. Met dit gebaar nam Van Vught demonstratief afscheid van het idee dat je met behulp van kwast en verf de werkelijkheid om je heen dient weer te geven. Sindsdien vormen de eigenschappen van verf en drager en de zeer uiteenlopende manieren waarop deze kunnen worden gebruikt het uitgangspunt voor zijn werk. Dat betekent niet dat het schilderproces  een systematisch, methodisch karakter heeft, daarvoor is zijn werkwijze veel te intuïtief en wil hij zich ook zelf laten verrassen door wat er op het doek gebeurt.

Zonder vooropgezet plan laat Van Vught zich leiden door het materiaal en geeft hij ruimte aan het deels onvoorspelbare gedrag van de meer of minder verdunde verf, het al dan niet geprepareerd doek of het van te voren met water doordrenkte of met plantenresten bewerkte papier. Om de fysieke afstand tot het medium zo klein mogelijk te houden, schildert hij zijn werken op de grond, spetterend met een kwast, draaiende bewegingen makend met de handen of het doek bewerkend met een ruitenwisser. De techniek mag geen routineuze handeling worden. Op het scherp van de snede, waar lukken en mislukken dicht bij elkaar liggen, groeit het schilderij laag voor laag, in een opeenvolging van veelsoortige handelingen die zich uiteindelijk verenigen tot een betekenisvol geheel. Dat moment van voltooiing laat zich niet definiëren maar wel ervaren. Hoogstens kun je ervan zeggen dat het het moment is waarop het bepaalde en onbepaalde elkaar in evenwicht houden en de meerduidigheid ruimte schept voor associaties. In Van Vughts visie moet het schilderij de feitelijke neerslag van het eigen schilderproces overstijgen en ligt in de ontstaansgeschiedenis van het werk een veel omvattender scheppingsverhaal besloten. In zijn grote werken op papier herinneren het golvende oppervlak en de ‘plasjes’ kleur aan de vloedlijn, wanneer de zee zich langzaam terugtrekt. Soms ook roepen de geschilderde vormen het beeld op van een vroeg stadium van leven, van organen of een kloppend hart. Andere werken doen met hun vegetatieve vormen denken aan verval en ontbinding. Die verhalen kunnen niet worden afgedwongen; Van Vught komt ze op het spoor en laat ze, verheugd over hun verschijnen, in zijn werk toe.