Mauricio Kagel

Zwei-Mann-Orchester

21 nov 1998 - 30 mei 1999

De Stichting Praemium Erasmianum vierde in november 1998 haar 40-jarig bestaan. In het kader van dit jubileum, dat landelijk met tal van culturele activiteiten wordt gevierd, besteedt De Pont aandacht aan de prijswinnaar van 1998, de in Duitsland wonende en werkende componist Mauricio Kagel. Tot medio juni zal in Tilburg Kagel's Zwei-Mann-Orchester te zien zijn. In deze periode wordt het werk regelmatig bespeeld, door twee leden van het Schönberg Ensemble: Ger de Zeeuw en Steef Gerritse. Dit gebeurt op elke laatste zondag van de maand, steeds om 12.30 uur. Elke bespeling duurt circa 45 minuten. 


Zwei-Mann-Orchester, dat eigendom is van het Gemeentemuseum Den Haag, bestaat uit een wirwar van zo'n 250 muziekinstrumenten en andere `gereedschappen', vooral uit de landbouw en de medische omgeving. Temidden van de opstelling nemen voor de bespeling twee muzikanten plaats, die zich middels koorden met een groot deel van het instrumentarium verbinden. Bijna geheel ingekapseld door sommige instrumenten en tegelijkertijd van andere ver verwijderd, is het hun opgave om alle elementen vanaf hun zetel aan te sturen en tot klinken te brengen. Het is een vrijwel onmogelijke taak, die echter in alle ernst wordt uitgevoerd, waarbij de humor - niet ongebruikelijk bij Kagel - voortdurend op de loer ligt.

Mauricio Kagel werd in 1931 in Buenos Aires geboren. In 1958 kwam hij met een studiebeurs naar Duitsland waar hij sindsdien woont en werkt. Zijn werk kenmerkt zich door grote veelzijdigheid. Hoewel de muziek in al zijn werk centraal staat is Kagel, behalve als componist, ook als cineast, theatermaker, filosoof en literator actief. Zwei-Mann-Orchester resulteerde uit een verzoek dat Kagel in 1971 van de programmamaker van de Donaueschinger Musiktage kreeg, om voor de editie van 1972 een werk te maken dat zou moeten handelen over het symfonie-orkest in een veranderende wereld. Het waren de jaren van de oprukkende electronica in de muziek, van de toenemende belangstelling voor kleine alternatieve ensembles (zoals het Nederlands Blaasensemble) en voor niet-westerse muziek. Al deze ontwikkelingen vormden een bedreiging voor het symfonie-orkest: voor het laat-19e eeuwse, omvangrijke muziekapparaat van gevestigde signatuur, waaraan de alternatieve `kritiese' maatschappij niet langer boodschap had.

Kagel vond zijn inspiratie in het `Ein-Mann-Orchester', de `Teufels­geiger' - onze `Nikkelen Nelis'. Het was voor hem de vraag, met hoeveel méér instrumenten men zich kan optuigen en deze tegelijkertijd nog muzikaal kan hanteren. De uitvoeringen op Zwei-Mann-Orchester komen tot stand door gebruik te maken van Kagel's gelijknamige partituur (uitgave Universal Edition, 1973), waarin allerlei gedetailleerd beschreven ingrediënten staan - ingedeeld in de hoofdstukken Melodie, Harmonie, Ritme en Lichaamsbewegingen. Door met deze ingrediënten een plan op te maken, dat bij de bespeling uit het hoofd moet worden uitgevoerd, bereiken de muzikanten een heel precies resultaat.

Het aanzien van Zwei-Mann-Orchester kan bij de kijker gemakkelijk het beeld oproepen van een rommelmarkt of vuilnisbelt, en een gevoel van `tristesse'. Zulke gevoelens vormen ook de achtergrond van het werk. Kagel heeft Zwei-Mann-Orchester uitdrukkelijk opgedragen aan het symfonie-orkest, het is zijn saluut aan een ensemble dat op het punt van uitsterven stond.