Hans de Wit

In the On-Offs

12 jan - 3 maart 2013
werk in collectie

Ruim tien jaar geleden verruilde Hans de Wit (Eindhoven, 1952) de schilderkunst voor de tekenkunst. Sindsdien maakt hij tekeningen in houtskool en pastel, die in formaat niet onderdoen voor een fors schilderij. Behalve een zestal van deze werken, toont De Wit op zijn tentoonstelling in de projectzaal ook een aantal voorbereidende studies waarin hij experimenteert met de mogelijkheden van zijn instrumenten en materialen.

De Wit is een virtuoos tekenaar. Het toegepaste perspectief, de atmosferische werking van het licht en de plastische weergave van de voorwerpen nodigen uit om de virtuele ruimte van zijn tekeningen binnen te gaan. Het is een verkenningstocht die tijd vraagt: hoe langer je kijkt, hoe meer je ontdekt. Het enorme formaat is amper toereikend om de rijkdom aan motieven te kunnen bevatten. Het gevoel voor maat en verhoudingen laat je als kijker meermalen in de steek en de tot in detail getekende motieven zijn vaak raadselachtig. De inventiviteit en technische vaardigheid waarmee ze gestalte hebben kregen, maken hen echter verrassend reëel. In elkaar gestorte bouwsels, constructies van ijzer met de beweeglijkheid van lianen verkeren er op gelijke voet met stekelige formaties en stelen van planten, wespennesten, vogels, slakken en slijkspringers.

In de meest recente tekeningen heeft het organische het architectonische goeddeels verdrongen. De panoramische invalshoek heeft plaatsgemaakt voor de blik van nabij. Zo onontkoombaar als in twee tekeningen uit 2012zijn we nog niet vaak geconfronteerd met een dikke pad - smeulend rood in het ene werk, maagdelijk wit in het andere. Ook antropomorfe vormen duiken nu voor het eerst op. Zoals vaker heeft De Wit hun gestalte ontleend aan iets wat hem in de dagelijkse werkelijkheid trof. Tijdens een fietstocht van Maastricht naar Luik herkende hij de geabstraheerde mensfiguur waarnaar hij op zoek was, in de bolders op de kade van Castres. Ze stonden erbij als een rij roerloze, anonieme wachters, tot hun schouders in de aarde gezakt, de blik gericht op het water. In Toad kruipt de pad over de boldervormen heen, zich van geen kwaad bewust terwijl hij zich afzet op wat mensen zouden kunnen zijn.

Dezelfde boldervorm was ook het uitgangspunt voor een aantal modellen van was, die op de tentoonstelling voor het eerst worden gepresenteerd. Een van hen heeft een toeter voor het gelaat, die het zicht richt en afbakent. De onbevooroordeelde en nauwkeurige observatie is één ding, het overdenken van het waargenomene een andere. Ook dat beschouwende aspect speelt een belangrijke rol in de kunst van De Wit. Zijn tekeningen laten zich interpreteren als zinnebeeldige voorstellingen van wat zich in de wereld afspeelt. In dat opzicht, maar ook in de gebruikte beeldtaal, passen ze in een traditie die is terug te voeren tot zestiende-eeuwse kunstenaars als Pieter Bruegel. De religieuze of morele boodschap die in veel van Bruegels werken is vervat, heeft bij De Wit plaats gemaakt voor een veel minder eenduidige strekking. Hij schept een wereld, waarin het dubbelzinnige de boventoon voert, een wereld die zowel fascineert als afstoot. In die wereld speelt de mens slechts een ondergeschikte rol. Hij is opgenomen in een beweging die hij niet in gang heeft gezet of in de hand kan houden; het leven als een intrige, dat zijn geheimen nooit prijsgeeft. De Wit kiest voor het ambivalente en vergelijkt dat spanningsveld met de stand van een schakelaar tussen aan en uit. In die paradoxale situatie, waarin beide van kracht zijn, wil hij opereren: In the On - Offs, zoals de titel van zijn expositie luidt.

website van de kunstenaar