Gerhard Richter

1 juli - 8 okt 2000
werk in collectie

Gerhard Richter (Dresden 1932) kwam in 1961 vanuit het toenmalige Oost-Duitse Dresden naar Düsseldorf. In reactie op het socialistisch-realisme van de officiële Oost-Duitse schilderkunst propageerde Richter hier (samen met Sigmar Polke en Konrad Lueg) het ‘kapitalistisch-realisme’. Op ironische wijze becommentarieerde Richter de westerse, kapitalistische massa-cultuur op een manier die verwantschap toont met de Amerikaanse Pop-Art. Als uitgangspunt voor zijn schilderijen dienden foto’s van alledaagse onderwerpen. Richter verzamelde duizenden van dergelijke kiekjes en bracht ze thematisch bijeen in een zogenaamde Atlas van beelden. In zijn schilderijen liet Richter deze fotografische voorbeelden vervagen door ze als het ware onscherp te reproduceren. Deze ‘onscherpte’ relativeert het (fotografisch) realisme van de afbeelding en benadrukt de formele en materiële kwaliteiten van het beschilderde oppervlak. De effecten van kwaststreek en kleurstelling worden door Richter voortdurend onderzocht en leiden tot de Farbtafeln, die naast hun formele abstractie ook het realisme hebben van een kleurkaart uit de verfwinkel. Richter relativeert zo niet alleen de betekenis van abstractie en realisme, maar getuigt ook van zijn scepsis over persoonlijke expressie in de schilderkunst.

De Graue Bilder (waarvan De Pont er twee in langdurige bruikleen heeft) lijken in hun ultieme reductie van schilderkunstige middelen op paradoxale wijze nog uitsluitend naar een lege schilderkunst te verwijzen. Maar hoe leger de beelden ogenschijnlijk zijn, des te dichter zit Richter de schilderkunst op de huid. Telkens weer wisselt hij zijn abstracte werk af met landschappen, portretten of stillevens als om aan te geven dat de -letterlijk- vervaagde grenzen tussen figuratief en abstract een nog volop te exploreren nieuwe ruimte hebben geopend.

In 1964 ontstonden de eerste tekeningen. Ook hierbij werkte Richter veelal naar fotografische voorbeelden (bijv. Elektrische Bahn, Hubschrauber en Mann, aus dem Fenster springend 1964-65). De tekeningen zijn geen schetsen of studies voor schilderijen, maar vormen een zelfstandig –zij het veel minder bekend- deel van zijn oeuvre, waaraan hij in onregelmatige perioden heeft gewerkt. Richter treedt er slechts sporadisch mee naar buiten en heeft er dikwijls zelf zijn twijfels over geuit. Toch zijn de tekeningen de meest directe weerslag van het denken en onderzoeken van de kunstenaar. Zo wordt een interessante groep tekeningen gevormd door imaginaire tentoonstellings- en presentatie-ontwerpen (Studien für Glasscheiben en Studien für die Präsentation grauer Bilder).

Veel van Richters tekeningen laten zich zowel chronologisch als thematisch in afzonderlijke groepen indelen. Hierbij wisselen abstract en figuratief elkaar regelmatig af. Zo zijn er de tekeningen naar abstracte schilderijen uit 1976, portretten (Bildnis Lucio Amelio 1982, Selbstbildnis 1993 en S. mit Kind 1995) en tekeningen van alledaagse voorwerpen (Zettelbox, Bleistiftspitzer, Telephon 1990). Een aparte groep wordt gevormd door de serie Halifax uit 1978: een reeks van 66 abstracte potloodtekeningen gemaakt tijdens Richters verblijf als gastdocent in Canada. In de Halifax-tekeningen komt Richter vanuit de elementaire beginselen van vlakverdeling, lijnvoering en tonaliteit tot een bijzondere lyrische expressie. De tekeningen zijn verwant aan de serie foto’s die Richter maakte van het oppervlak van een schilderij, die in detail de structuur van verfsporen, krassen, lijnen en lichtval laten zien (128 Photos von einem Bild 1978). De Halifax-tekeningen verkennen het gebied tussen scherp en onscherp, tussen licht en donker, tussen betekenisloos en betekenisvol.

De relatie met de schilderijen komt ook in andere tekeningen tot uitdrukking; vanaf 1988 gebruikt Richter dikwijls de frottage-techniek, waarbij de structuur van de doordruk verwant is aan de huid van de schilderijen waarover hij meerdere lagen verf met een spatel in banen heeft uitgestreken en weggeveegd.

Wellicht nog dichter bij de schilderijen van Richter staan zijn aquarellen. Toch heeft hij ook deze lang voor zichzelf gehouden en pas in 1984 voor het eerst geëxposeerd. Richter vergelijkt de aquarellen met de schilderijen ‘als een gedicht en een roman van dezelfde auteur.’ De waterverf mengt zich in heldere kleuren over het papier en trekt een grillig spoor van vlekkerige vormen. In sommige werken zijn de lijnen van een potloodtekening te zien.

Voor veel van zijn aquarellen heeft Richter zijn schilderijen, of delen daarvan, als uitgangspunt genomen. Hierbij is echter niet zozeer de reproductie het doel, maar veeleer het onderzoek naar de compositie en de materialiteit van het werk. De onvoorspelbaarheid van het resultaat is voor hem een belangrijk gegeven in de techniek van het aquarelleren.

Net als de tekeningen zijn ook de meeste aquarellen in groepen ontstaan. Veruit de meeste werken zijn abstract, maar roepen volgens Richter toch ook landschappelijke associaties op (bijv. Gebirge en Felsenlandschaft 1984). In 1987 maakt hij een aantal figuratieve werken, waaronder een serie met appels die opvalt door de virtuose beheersing van de techniek en het geraffineerde gebruik van de effecten van het vervloeien van de kleuren. Maar waarschijnlijk omdat hij op z’n hoede is voor een al te smaakvol raffinement, laat Richter in de meeste werken de verf zo min mogelijk gestuurd een weg (en daarmee een vorm) over het papier vinden. Juist voor dit ontstaansproces met de onvoorziene resultaten en verrassingen heeft Richter grote belangstelling.