Erik Andriesse

werk op papier

17 mei - 14 sep 2003
werk in collectie

Tien jaar geleden overleed op jonge leeftijd de kunstenaar Erik Andriesse (Bussum 1957-Amsterdam 1993). Aan een opzienbarende carrière en een indrukwekkend oeuvre kwam volstrekt onverwacht een einde. Nu wordt Erik Andriesse gememoreerd met tentoonstellingen in het Gemeentemuseum Den Haag (schilderijen), De Pont (tekeningen) en met een publicatie in de reeks monografieën van Nederlandse kunstenaars. Bij dit weerzien blijkt zijn werk niet aan kracht en vitaliteit te hebben ingeboet. 

Het talent van Erik Andriesse wordt al vroeg opgemerkt en op vijftienjarige leeftijd heeft hij zijn eerste galerie-tentoonstelling. Het etiket ‘wonderkind’ hindert hem niet maar sterkt hem juist in de overtuiging dat hij zich moet meten met de door hem bewonderde voorgangers en collega’s. Melle, Carel Willink en Raoul Hynckes voor hun figuratieve vaardigheid, Picasso vanwege zijn vitaliteit, Floris Verster voor zijn natuurstudies en Penck en Lüpertz om hun eigenzinnigheid. In deze artistieke wedijver ontwikkelt Andriesse zijn virtuoze handschrift en een groot gevoel voor kleur en compositie. De lust tot onderzoeken en experimenteren is goed te volgen in de reeksen werken die hij maakt. Vaak tekent hij zijn onderwerpen in tientallen versies (dikwijls op één dag gemaakt) en maakt hij verschillende combinaties van beeldelementen.

Tijdens en na zijn verblijf aan het toenmalige Ateliers ’63 (1975-1977) maakt Andriesse korte tijd abstracte composities van beschilderde houten plankjes en vruchtensap-afdrukken op papier. Toch worden in deze composities al snel de vormen herkenbaar van zijn geliefde onderwerpen; bloemen en dieren. Andriesse heeft altijd de natuur als zijn grootste leermeester beschouwd en deze schatplichtigheid toont zich in de levenslustige kracht van zijn werk. Bij hem vormen de stadia van bloei en verval geen vanitas-symboliek en tonen zelfs schedels en skeletten geen macabere doodsgrijns maar getuigen ze veelmeer van een vrolijke relativering van onze vergankelijkheid.

Zonnebloemen en amarylissen behoren tot de favoriete onderwerpen, maar ook lelies, orchideeën, papavers, magnolia’s worden in hun volle pracht weergegeven. De verf die over het doek spat en druipt geeft de voorstelling een grote dynamiek. Andriesse is een uitbundig colorist en de bloemen lenen zich bij uitstek voor zulke uitbarstingen van kleur. Hij lijkt bewust de grenzen te zoeken van esthetische verleiding en smaakvol raffinement.Voor Erik Andriesse is de visuele beleving essentieel. Minder dan bij veel van zijn collega’s wil hij een boodschap verkondigen of een verhaal vertellen. De hernieuwde aandacht en waardering voor figuratieve schilderkunst in de jaren tachtig vormen weliswaar de context voor zijn werk, maar leiden bij hem niet tot symboliek, citaten of referenties zoals dat het geval was bij veel van de ‘nieuwe schilders’ uit die tijd.

Gezien zijn onderwerpkeus is het toepasselijk dat Andriesse in 1988 een tentoonstelling krijgt in het Van Goghmuseum. In hetzelfde jaar wint hij de Prix de Rome. Tijdens een verblijf op Bonaire raakt hij gefascineerd door de grillige vormen en de schitterende kleuren van allerlei tropische zeedieren. Als gevolg ontstaan reeksen werken van krabben, kreeften, schelpen en schildpadden. De moeilijkste vormen en patronen lijken de grootste uitdaging aan de tekenvaardigheid van de kunstenaar op te leveren. Toch gaat het Andriesse nooit om de exacte weergave ‘an sich’, maar om de eigenzinnige composities die hij met zijn kleurrijke voorstellingen weet te creëren. Nog duidelijker wordt dit in de talrijke werken met skeletten die hij tijdens en na een werkperiode in het Zoölogisch Museum in Amsterdam in 1990 maakt. In eerste instantie bestudeert hij nauwkeurig de complexe anatomie van schedels en beenderen van mensen en dieren, maar zodra hij hier grip op heeft, maakt hij van alle geraamtes wervelende composities. Hoogtepunt is ongetwijfeld het monumentale schilderij Dode dierentuin uit 1990/91 waarop de skeletten van een giraf, een leeuw, een krokodil, een aap en een papegaai samen met een aantal menselijke doodshoofden een bizarre parade formeren.

Andriesse heeft honderden studies van schedels gemaakt. Al in 1986 exposeert hij in museum Fodor in Amsterdam een groep van 25 schedels die door kleur, vorm en compositie allemaal een ander aangezicht hebben. Het is alsof hij de anonimiteit van de dood tegengaat door alle schedels individuele trekken te geven en hen zo iets van het leven terug te geven.

Werkelijke portretten heeft Erik Andriesse daarentegen niet veel gemaakt. Slechts enkele vrienden en familieleden heeft hij geportretteerd, hieronder zijn vriendin Liesbeth en bevriende collega’s zoals Marlene Dumas. De meeste portretten uit zijn directe omgeving waren ook weer van een dier; zijn hond Igor.

In 1992 begint Erik Andriesse tijdens een verblijf aan het Europees Keramisch Werkcentrum in Den Bosch met het vervaardigen van keramiek. Zijn ongekende produktiviteit leidt al snel tot series schalen en vazen waarin hij op speelse wijze motieven van dieren en skeletten verwerkt. Ook hiervan zijn enkele voorbeelden in de tentoonstelling bij De Pont opgenomen.

De publicatie Erik Andriesse is geschreven door Robert Jan Muller en is aan de balie van het museum te koop voor  € 38,95. (Uitgeverij Waanders, ISBN 90 400 96 82 1)

De tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag is te zien van 17 mei tm 24 augustus.