Ellert Haitjema

Haphazard

31 juli - 19 sept 2010

Van Ellert Haitjema (Menaldum, 1958) is in april 2010 het kunstenaarsboek Haphazard gepubliceerd. Dit vormde de aanleiding om deze zomer in de projectzaal een tentoonstelling te organiseren waarin recente sculpturen en foto-interventies van deze kunstenaar worden getoond in samenhang met het nieuw verschenen boek.

‘Schoon als de toevallige ontmoeting op een snijtafel van een paraplu en een naaimachine…’ dichtte Isidore Ducasse in 1869. De surrealisten verhieven deze zinsnede uit de Chants de Maldoror tot een artistiek beginsel. Ook in het leven van alledag kan uit de verrassende combinatie van voorwerpen en materialen pure poëzie ontstaan. In het boek Haphazard zijn daarvan vele voorbeelden te vinden: de balk boven de ingang van een huis, die fungeert als geïmproviseerde berging voor een tandenborstel, een aan een wandelstok bevestigde schoen als peddel, of een houten stoel zonder zitting, waarvan het door roze japonstof omwonden frame aan een reddingsboei doet denken.

Hoezeer de voorwerpen en situaties soms ook tot de verbeelding spreken, iedere artistieke intentie is hun vreemd. Als deze wonderlijke samenraapsels van materialen en vormen een esthetische aantrekkingskracht uitoefenen, dan is dat het onbedoelde neveneffect van een ingreep die praktisch nut beoogde.

Ellert Haitjema is gefascineerd door de inventiviteit waarmee mensen zich redden als er weinig voorhanden is. Al jaren legt hij hun tijdelijke onderkomens, provisorische reparaties en raadselachtige, aan specifieke behoeftes aangepaste attributen vast met zijn camera. Vaak is dat tijdens zijn reizen naar verre oorden, maar soms ook gewoon bij hem om de hoek.

Aanvankelijk dienden de foto’s voor eigen gebruik, als model en inspiratiebron voor zijn sculpturen. In Haphazard combineert hij ze met zijn eigen werk, in een dialoog vol beeldrijm en woordspelingen, zonder hiërarchie of zelfs maar een aanduiding of het een werk van hemzelf betreft, of een door hem gefotografeerd object. Dat onderscheid wordt opgeheven in de foto-interventies, die behalve in het boek, ook als zelfstandige werken op de tentoonstelling te zien zijn. Voortgaand op visuele elementen die de foto’s zelf aandragen, onderwerpt Haitjema ze aan een aantal bewerkingen. Door foto’s om te vouwen, in het water te leggen of te bedekken met schijfjes glas maakt hij er een driedimensionaal object van, dat hij vervolgens opnieuw fotografeert. Het resultaat is een tweedimensionaal beeld, dat zich door zijn inconsistenties te weer stelt tegen een achteloze manier van kijken.

‘Scherp kijken’, ‘wild denken’, het zijn kernbegrippen in de kunst van Haitjema. Ook in zijn sculpturen volgt hij het spoor dat het argeloos-creatieve gebruik van alledaagse voorwerpen hem wijst. Dat doet hij onder meer door het gebruik van afgedankte materialen en een voorkeur voor vormen die een onbepaalde functionaliteit suggereren. Het oppervlak van zijn sculpturen draagt de sporen van gebruik en hergebruik en vestigt de aandacht op hun subtiele materialiteit. Ze hebben vaak iets fragiels en kwetsbaars, maar daarachter gaat, net als bij zijn inspiratiebronnen, een onvermoede taaiheid schuil. In de wandsculptuur Urban Roots (2008) meandert een vezelige streng tussen een strak, op de wand aangebracht lijnenpatroon. De hoekige vorm van de streng wekt een gevoel van vervreemding, die omslaat in verwondering als je beseft dat het lange boomwortels zijn, die zich ooit een weg hebben gebaand langs en om straatstenen heen.

Haitjema onderzoekt in zijn werk een vitale vormentaal, die niet ontspruit aan esthetiek, maar wortelt in de drang tot voortbestaan en daaraan zijn schoonheid ontleent.