De Stijl in Tilburg

verslag van een bijzondere vriendschap

8 sept 2007 - 6 jan 2008

In de vijftien jaar van zijn bestaan heeft De Pont talrijke tentoonstellingen gemaakt op het gebied van de hedendaagse kunst. De Stijl in Tilburg vormt daarop een uitzondering. Hier gaat het over de jarenlange vriendschap tussen Theo van Doesburg (1883-1931), schilder, architect en voorvechter van de moderne kunst, en Antony Kok (1882-1969), spoorwegbeambte in Tilburg. 

In deze veelzijdige tentoonstelling wordt deze vriendschap gedocumenteerd in brieven, kaarten, foto’s en andere documenten. Er zijn kunstwerken te zien waarover beiden van gedachten wisselden, er worden gedichten voorgedragen en er klinkt muziek. De tentoonstelling is samengesteld door dr. Alied Ottevanger, die onderzoek deed naar de correspondentie tussen beiden, en is financieel ondersteund door de gemeente Tilburg.

Hoe verschillend de extraverte Van Doesburg en de minder op de voorgrond tredende Kok ook waren, ze deelden een grote belangstelling voor filosofische en spirituele zaken. Van Doesburg stond altijd klaar om Kok suggesties aan de hand te doen voor zelfstudie, Kok was nooit te beroerd om Van Doesburg financieel bij te staan. Zo hielp hij hem in 1917 om het tijdschrift De Stijl van de grond te krijgen en betaalde hij regelmatig de huur van de piano voor de optredens van Van Doesburgs derde echtgenote, Nelly. Kern van de vriendschap was Koks oprechte belangstelling voor Van Doesburg. In hem vond Van Doesburg een klankbord, iemand aan wie hij niet alleen zijn verhalen kwijt kon over zijn lezingen aan het Bauhaus in Weimar, zijn dada-veldtocht door Nederland en Duitsland en zijn vele ontmoetingen, maar ook iemand bij wie hij zich openhartig kon uiten over zijn plannen en drijfveren. Kok kon heel direct en zonder schroom vertellen over wat hij ervoer bij de nieuwe, ‘geestelijke’ kunst; hij had de gave om als kijker de kunst te ‘herscheppen’, zoals Van Doesburg dat noemde. Dat bleek al direct bij hun eerste kennismaking in de nazomer van 1914, toen Van Doesburg als militair vlakbij Tilburg gelegerd was. Het – waarschijnlijk geromantiseerde – verhaal gaat dat de twee elkaar leerden kennen doordat Van Doesburg afging op de pianoklanken uit het openstaande raam van Kok, die een niet onverdienstelijk pianist was. Een jaar later werd Van Doesburg in Utrecht gestationeerd, maar hun vriendschap bleef.

Op de tentoonstelling wordt het verloop van deze vriendschap belicht, ingedeeld naar de verschillende steden waar Van Doesburg tijdens zijn zeer actieve leven verbleef: Leiden, Berlijn, Weimar, Parijs en Straatsburg. Er zijn kunstwerken te zien waarover de twee vrienden met elkaar discussieerden, maar daar bleef het niet bij. Op aanraden van zijn vriend begon Kok ook te verzamelen. Zo groeide tussen 1920 en 1924 een collectie, waarin zich behalve werken van Van Doesburg, onder andere ook vier schilderijen van Mondriaan bevonden en een werk van El Lissitzky. Van die collectie, die destijds in Tilburg hing, is nu een reconstructie te zien.

Ook zelf liet Kok zich niet geheel onbetuigd in de kunsten. Gestimuleerd door Van Doesburg schreef hij in 1915 en 1916 enkele klankgedichten in de geest van Dada. Deze werden door Van Doesburg voorgedragen en later gepubliceerd in De Stijl. Kurt Schwitters, die in 1923 samen met Theo en Nelly van Doesburg op dada-veldtocht ging door Nederland, was zo onder de indruk dat hij een gedicht van Kok publiceerde in het eerste nummer van zijn tijdschrift Merz.

Wellicht is Koks betrokkenheid bij het ontstaan van het tijdschrift De Stijl het belangrijkste wapenfeit. Al ten tijde van zijn mobilisatie in Tilburg sprak Van Doesburg met hem over zijn plannen. En dat is tekenend voor hun vriendschap, die stand hield tot Van Doesburgs dood in 1931. Behalve in hun correspondentie kreeg die ook gestalte tijdens hun vele ontmoetingen. Meestal was het Kok die Van Doesburg opzocht; als beambte bij het spoor had hij immers recht op vrij reizen.