De Opening

    12 sept 1992 - 31 jan 1993

    Inleiding catalogus De Opening door Hendrik Driessen, directeur van De Pont

    Toen het bestuur van de J.H. de Pont Stichting mij in het voorjaar van 1989 vroeg mede gestalte te gaan geven aan het beleid van de nieuwe stichting, stonden de doelstellingen vast, maar hoe ze zouden worden ingevuld was nog niet duidelijk. We bevonden ons als het ware op een plein van waaruit allerlei richtingen konden worden ingeslagen. Welke weg te kiezen? Voorop stond dat we ons zouden gaan richten op het aanleggen van een verzameling hedendaagse kunst uit binnen- en buitenland van een zo hoog mogelijk niveau. Een van de eerste en belangrijkste uitkomsten van de vele gesprekken en discussies die het bestuur en ik over het te voeren beleid hadden, was het besluit dat we ons bij het verzamelen niet op andere instellingen voor moderne kunst zouden gaan orienteren. Het vullen van lacunes in de openbare collecties in ons land leek niet de beste methode om tot een interessante verzameling te komen. Het opzoeken en aanleggen van de ontbrekende stukjes van een puzzel kan natuurlijk dankbaar werk zijn, maar het veronderstelt wel dat de puzzel ooit in zijn totaliteit zichtbaar zal kunnen worden. Een volgende belangrijke beslissing was dat de verzameling vanaf het begin in een eigen gebouw zou moeten worden gehuisvest, zodat met de aankopen kon worden 'geleefd' en mogelijk nieuwe aanwinsten in een bepaalde context konden worden gezet. Dit besluit heeft ons beleid in meerdere opzichten sterk bepaald, hoewel we dat nog niet beseften. In de zomer van 1989 koos het bestuur voor vestiging van de stichting in Tilburg. Die keuze werd niet alleen gemaakt omdat Jan de Pont - de naamgever van de stichting - een Tilburger was, maar ook omdat er kon worden beschikt over het door hem nagelaten fabriekscomplex van Thomas de Beer. Toen we de fabriek - een wolspinnerij - voor het eerst bezochten, stond het gebouw nog vol met apparatuur en geurde het overal naar wol en smout. Hoewel het zicht op de totale ruimte door spinmachines en talloze leidingen werd belemmerd, voelden we direct welke enorme mogelijkheden deze locatie te bieden had. Aanvankelijk dachten we met een simpele opknapbeurt te kunnen volstaan, maar al snel bleek dat de aanpak grondiger moest zijn en werd het bureau Benthem Crouwel Architekten aangezocht om een complete renovatie uit te voeren. De onder hun regie uitgevoerde verbouwing van Museum Overholland in Amsterdam had ons zeer aangesproken en we hadden het vertrouwen dat zij ook de renovatie van ons gebouw op een gepaste, teruggehouden wijze zouden aanpakken. Vanaf het moment dat we aan de renovatie begonnen ging het gebouw als vanzelf een grotere rol spelen in onze gedachtenvorming over het artistieke beleid. De voormalige fabriek, die we eerst vooral zagen als een goede utiliteit voor onze activiteiten, werd steeds meer een plaats met een eigen identiteit die we niet zomaar voor 'museale' opstellingen geschikt konden maken. Er zijn vele elementen in het gebouw die we zelf nooit zo zouden hebben bedacht, maar die niettemin zeer bruikbaar en betekenisvol zijn. Er zijn echter ook aspecten die sommige dingen kunnen bemoei- lijken, zoals de beperkte hoogte onder de vrij prominent aanwezige staalconstructie die het dak draagt. Toch zijn we deze bijzondere ruimtelijke omstandigheden steeds meer gaan waarderen en we hebben er nadrukkelijk gebruik van gemaakt door in ons beleid een accent te leggen op bijvoorbeeld de realisatie van grote werken die elders moeilijk te plaatsen zijn - werken die voor een deel zelfs op het gebouw betrokken werden. De twaalf kleine kabinetten naast de grote hal (bij ons bekend als de wolhokken) lenen zich juist weer voor kleine, intiemere presentaties. De ruimte, die aanvankelijk bijna overdadig leek, hielp ons gestalte te geven aan de gedachte dat we niet het zoveelste wiel aan de voortsnellende wagen van wisselende tentoonstellingen willen zijn. Het informeren over de nieuwste ontwikkelingen vinden wij natuurlijk ook belangrijk, maar dat gebeurt al heel goed op tal van plaatsen in onze directe en indirecte omgeving. Ons beleid wil zich bovenal kenmerken door een zekere rust waarin de kunstwerken zo goed mogelijk tot hun recht moeten kunnen komen in een zich liefst herhalend contact met de bezoeker. We hebben er dan ook voor gekozen onze opstellingen, zoals deze eerste die een combinatie is van eigen bezit en bruiklenen, gedurende langere tijd vrijwel ongewijzigd te laten. Per jaar zullen er slechts drie wisselingen plaatsvinden in de vorm van aanvullende presentaties die in principe van beperkte omvang zijn en die soms zelfs uit 'slechts' een werk kunnen bestaan. We engageren ons niet met een bepaalde stroming of met een bepaalde generatie, maar beginnen met een kleine groep kunstenaars die naar onze mening tezamen een goed beeld geven van de veelheid aan uitdrukkingsvormen die de kunst van onze tijd kenmerkt. Sommigen behoren nu al tot de grote vernieuwers van de kunst van onze eeuw, terwijl anderen een stap vooruit maken door juist terug te keren naar oudere normen en waarden, zonder daarbij overigens het heden de rug toe te keren. Er zijn kunstenaars bij die zich nadrukkelijk plaatsen binnen een bepaald deel van onze beeldende traditie en daarop verder bouwen door verfijning en bezinning. Er zijn er echter ook die zich weer zoveel mogelijk terzijde van de actualiteit proberen op te stellen. En enkelen bevechten ingenomen stellin- gen en heersende normen door er als ware guerrilla's, vanuit onverwachte posities tegen ten strijde te trekken. Ik dank alle kunstenaars voor hun enthousiaste medewerking, die ze ons gaven op een moment dat er nog maar heel weinig van ons initiatief bekend of zichtbaar was, maar ik bedank hen vooral voor het prachtige werk dat we hier van hen kunnen laten zien. In deze dank betrek ik graag alle bruikleengevers en galeriehouders die ons hun bezit toevertrouwden en de organisatie van de tentoonstelling ondersteunden. Vanzelfsprekend kan een onderneming als de onze slechts tot een goed einde worden gebracht met de steun van zeer velen, die ik hier graag alien daarvoor mijn dankbaarheid wil betuigen. In de eerste plaats noem ik het bestuur van de stichting, dat mij deze fantastische opdracht en het daarbij horende vertrouwen schonk. Ik dank ze voor de vele inspirerende woorden en daden en voor al het andere dat ze ondernomen hebben om dit project van de grond te tillen. Ook veel meer dan een woord van dank ben ik verschuldigd aan Ben van Huijgevoort en Wilma van Asseldonk, die respectievelijk als zelfstandig bouwsupervisor en als conservator van de stichting hun inzet gaven, voor hun kameraadschap en de grote bijdrage aan het welslagen van onze plannen. Het bureau Benthem Crouwel Architekten was, in de persoon van Mels Crouwel, die werd bijgestaan door Heike Lohmann en Andre Staalenhoef, een professionele partner bij de verbouwing van de fabriek en de vormgeving van het ons omringende gebied. Hun visie op de renovatie is van doorslag- gevende betekenis geweest en hun inzichten hebben ons enorm geholpen bij 'het raken van de juiste snaar'. Niet onvermeld kan ik de betrokkenheid laten van Marien Schouten, die als gesprekspartner voor Mels Crouwel en mijzelf een belangwekkende inbreng had bij de besluitvorming over de plaatsing van de wanden in de centrale hal. Tessa van der Waals, Hans Biezen en Beth O'Brien bedank ik zeer voor hun vele goede werk dat deze publikatie mogelijk maakte, alsmede Elly Stegeman en Dominic van den Boogerd die een aantal van de teksten voor hun rekening namen. Tot slot een welgemeend bedankt voor alle overige medewerkers van de stichting, die de renovatie van nabij hebben meegemaakt en hebben geholpen de fabriek te maken tot de prachtige plek die het nu is. 

    Hendrik Driessen