Brabant Nu

Recent werk van 11 jonge kunstenaars

12 januari - 13 april 2008

Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Noord-Brabantse Kunst Stichting (NBKS) organiseert De Pont een tentoonstelling met werk van een nieuwe generatie kunstenaars uit Brabant. De Pont vroeg Alex de Vries, voormalig directeur van de kunstacademie in ’s-Hertogenbosch en moderator van de kunstenaarsgesprekken die sinds 2004 door de NBKS in samenwerking met De Pont worden georganiseerd, de tentoonstelling samen te stellen. Hij gaat hieronder nader in op de kunstsituatie in Brabant en op zijn keuze voor elf jonge  kunstenaars, die ieder een eigen‘wolhok’ in het museum tot hun beschikking krijgen. 

De kunstenaars in deze tentoonstelling behoren tot de generatie die geboren is tussen ruwweg 1970 en 1980. Ze maken allemaal volop gebruik van de rijke infrastructuur die kenmerkend is voor het  kunstklimaat in Brabant. Met twee academies voor beeldende kunst en vormgeving, een docentenopleiding en een designacademie heeft Brabant de grootste academiedichtheid van Nederland. Het niveau van de Brabantse musea stelt een hoge kwalitatieve norm aan de praktijk van de beeldend kunstenaars; ze hebben vaak ook een uitdagend tentoonstellingsbeleid. Daarnaast zijn er in Brabant opvallend veel kunstenaarsinitiatieven. Sommige, zoals Artis in ’s-Hertogenbosch en Lokaal 01 in Breda, maken presentaties waarvan het belang het regionale duidelijk overstijgt. Steeds opnieuw vinden  kunstenaars elkaar in (tijdelijke) ateliercomplexen, zoals TAC in Eindhoven en KOP in Breda, waar gezamenlijk activiteiten worden opgezet om de eigen positie te bepalen. Kunstenaars melden zich aan voor werkperiodes in de verschillende werkplaatsen zoals Daglicht en Beeldenstorm in Eindhoven en het EKWC in ’s-Hertogenbosch om projecten te ontwikkelen. Er worden in eigen beheer tijdschriften en andere publicaties uitgegeven, lezingenavonden georganiseerd en debatten gevoerd. De meeste  kunstenaars voelen weinig behoefte om uit Brabant weg te gaan. Daar is ook nauwelijks reden toe. Ze zijn goed in staat vanuit de eigen omgeving hun plaats in de wereld te bevechten.

De kunst uit Brabant wortelt in een stevige traditie en is vitaler dan ooit. Opvallend genoeg hebben de kunstenaars in Brabant Nu geen nieuwe media nodig. Ze laten zien dat de tekening, het schilderij, de foto, de sculptuur en het object minstens zo levensvatbaar zijn als technologische hoogstandjes of digitale communicatiemiddelen. Bram Hermens (1979) gebruikt het meest directe artistieke uitdrukkingsmiddel dat er is: de tekening. In zijn veelal monumentale werken – in De Pont toont hij wandtekeningen – geeft hij gebeurtenissen uit de actualiteit weer in een eclectische mengeling van stijlelementen uit de Hel lenis tische periode, de hoog-renaissance en de barok. Hij weet waar hij vandaan komt en wat hij daarmee wil. Kunstenaars zetten per definitie het beeld naar hun hand.

De elf in deze expositie doen dat letterlijk mét de hand. Zelfs de twee fotografen, Annie Draaijer (1972) en Wiesje Peels (1975), kiezen ervoor om te werken met analoge camera’s. Maar ze deinzen er niet voor terug om de modernste technieken in te zetten voor hun afdrukken op groot formaat. Anachronisme en regressie zijn niet aan de orde. De schilder en tekenaar Jakob Fioole (1978) brengt de verschijningsvorm van het stedelijk leven en de uitwassen daarvan in kaart op volkomen hedendaagse wijze. En ook de raadselachtige schilderijen van Lotte van Lieshout (1978), die een mythische wereld verbeelden, zijn duidelijk ontleend aan de waanwereld van vandaag de dag. In die handmatige manier van werken gaan de kunstenaars het experiment niet uit de weg. Sandra van der Meijden (1981) kiest voor haar schilderijen ongewone materialen, zoals gebruikstextiel als drager, en bedient zich van onconventioneel schildersgereedschap. De kunstenaars gaan de confrontatie aan met de hen omringende wereld. Hun werk is niet zozeer geschilderd naar de waarneming, maar komt voort uit de ervaring. Van oudsher hebben schilders in Brabant in het landschap een rijke voedingsbodem gevonden, zoals ook Daniëlle van Broekhoven (1975) laat zien. Terwijl Marjolijn de Wit (1979) een wereld schildert waarin the facts of life keihard binnendringen, kiest Tobias Schalken (1972) als beeldhouwer voor een andere strategie. Zijn grote sculpturen zijn droom gestaltes van verwondering en verweer.  Vanuit de plek waar ze wonen en werken zoeken deze kunstenaars een eigen positie in de kunstwereld en een eigen verhouding tot de maatschappij. Persoonlijke ervaringen worden gesublimeerd en soms ook gerelativeerd.

Eveline van de Griend (1976) heeft sinds haar jeugd in Nigeria een ambivalente relatie met het uiterlijk. Wat er schuil gaat achter de schoonheid van haar gebeeldhouwde hoofden, is meer dan zich laat aanzien. De jonge generatie kunstenaars uit Brabant bewijst dat elk clichébeeld terzijde geschoven kan worden. Kijk maar naar Helmut Smits (1974). Zijn alternatief voor het gekende is even rigoureus als verstrekkend: hij toont ons het ongekende. Alles wat we kennen, kan een andere gedaante krijgen. En dat gaat ook op voor de kunst uit Brabant.