A. van Campenhout

Harmonious Blacksmith

26 nov 2011 - 22 jan 2012

De tekeningen van A. van Campenhout (1957) ogen abstract, al herbergen ze in hun schemerduister tal van verwijzingen en reminiscenties. Het zijn de craquelures van, naar zijn eigen zeggen, ‘de menselijke conditie’ die hij in grijs of zwart met houtskool of krijt wil weergeven. Op de tekeningen herken je soms in een flits een landschap of een figuratie die je elders ooit zag. Je oog wordt geleid naar een punt of naar een witte, omkaderde geometrische figuur. Er zijn tal van variaties mogelijk, elke toeschouwer maakt zijn eigen omzwervende associaties.

Als je ‘eindeloos tekent’, zegt Van Campenhout, streep na streep, laag op laag, weefsel boven weefsel, dan kom je uit bij een bijna inktzwart venster op een oneindige ruimte, een overgang van de tastbare wereld naar het immateriële. Ook al zijn de sporen van het uitgangspunt door het onophoudelijk krassen, wrijven en gummen verdoezeld, toch biedt de tekening nog altijd een ruim zicht op het schijnbaar uitgewiste beeld. In de diepe lagen van de tekening, in de opgestapelde en weer afgeschilferde houtskool, schuilt nog steeds het oorspronkelijk beeld.Van Campenhouts grote, op de wand vastgespijkerde ‘zwarte tekeningen’ zijn resonanties van een beeld‘nabeelden’, die je vaak pas na lang kijken ontwaart. Wat je ziet, wordt door de hersenen bij het kijken als het ware gereconstrueerd. De aanleiding van de tekening blijft nazinderen.

Het tekenen is voor Van Campenhout een wijze van kijkend beschrijven. De tekeningen fungeren als dragers van persoonlijke ervaringen en herinneringen én als formele constructies. In het atelier spijkert hij de grote bladen op de muur, hij beklimt een ladder, gaat met het houtskool krassen, repetitief, veegt en wist, tot enige vermoeidheid optreedt en het tekenen enigszins verslapt. Op sommige tekeningen is het schrift zeer lyrisch en ongetemd; op andere gaat hij met veel grotere beheersing te werk en wil hij het al te driftig tekenen weer beteugelen. Op kleine formaten gaat hij in series op zoek naar beeldende mogelijkheden en de kracht van houtskool of pastel, waarbij hij op een nauwgezette en ‘oudmeesterlijke’ manier te werk gaat.

Reminiscenties, het hele werk is ervan doordrongen, ook al maakt hij steeds meer ongetitelde tekeningen. Je kunt – of meent het te kunnen – in sommige werken iets herkennen. Zowel in opzet als in het maken bevatten ze ‘herinneringen’ en ‘ervaringen’. Van Campenhout verwerkt opgedane impressies, ook reisindrukken, van zowel landschappelijke als architectonische aard. Tijdens studieverblijven werkt hij in musea en er trilt een soort bekend geluid door zijn tekeningen, kunsthistorische verwijzingen naar de aangrijpende Los desastres de la guerra van Goya of naar de Carceri van Piranesi. Deze achttiende-eeuwse kunstenaar en architect, beroemd omwille van zijn honderden ansichten (vedute) van Rome, dook vaak onder de grond en maakte prenten van de in het schemerduister verborgen wereld van keldergewelven en ver borgen onderaardse kerkers. Net als Piranesi daalt ook Van Campenhout af in zo’n Danteske wereld. (Paul Depondt in Septentrionn° 2, 2011)