Vanaf het begin van de jaren negentig werkt Berlinde De Bruyckere met dekens als materiaal voor haar beelden en installaties. Wollen dekens die bedekken en beschermen. Maar voor De Bruyckere symboliseren ze niet alleen warmte en beschutting, maar ook kwetsbaarheid en angst. Angst die mensen onder de dekens doet wegkruipen en kwetsbaarheid in situaties van kou, ziekte, rampen en oorlog. Het zijn de beelden die de media ons dagelijks voorschotelen; uit Somalië, Rwanda of Kosovo. Beelden uit brandhaarden waar de bevolking vlucht, schuilt of verkleumt. Slachtoffers worden in dekens gehuld. Het leed wordt bedekt. In het atelier van De Bruyckere hangen dergelijke krantenfoto’s als stille momenten tussen de alledaagse paperassen. Het zijn dikwijls beelden waarin treurnis en schoonheid met elkaar om de aandacht lijken te vechten.
Een van de eerste beelden met dekens van De Bruyckere was een simpele stapeling opgevouwen dekens op een wankele houten kruk (zonder titel 1991). Orde en evenwicht van de stapel worden hier bijna letterlijk onderuit gehaald door deze vervaarlijk hellende sokkel. Het Dekenhuis uit 1993 is een metalen kooi waarover dekens zijn gedrapeerd. Een enkele hoek van de kooi is onbedekt maar het Dekenhuis is ontoegankelijk en biedt slechts de suggestie van beschutting. Berlinde De Bruyckere zegt over het gebruik van dekens in haar werk: ‘Een deken is voor mij een symbool van geborgenheid. Het heeft een ziel, die meestal positief geladen is. Een deken dekt je toe, je voelt je het kind dat binnen zit terwijl het buiten regent. Ik gebruik een deken ook als negatief voorwerp. Je kan iemand zo veel liefde en geborgenheid geven dat hij erdoor verstikt raakt, zichzelf niet meer vindt. Onder een stapel dekens liggen desoriënteert! Die dubbelzinnigheid speel ik graag uit in mijn werk.’
Het is de dualiteit van liefde en lijden, dreiging en bescherming, leven en dood, waarmee het werk van De Bruyckere zich voortdurend laat associëren. Onschuld kan een hel zijn was de titel van haar presentatie in Park Middelheim in 1995. Hier plaatste zij onder meer open containers volgestouwd met stapels dekens (Kooi 1995). Vrolijk van kleur maar tegelijk macaber van aanzicht; een noodzending hulpgoederen die haar bestemming nooit zou bereiken. Het machteloze gebaar van dit werk lijkt te worden herhaald in de diverse vrouwenfiguren, van wie de armen en benen levensecht zijn, maar de rest van het lichaam schuil gaat onder dekens. In Middelheim plaatste zij zo’n figuur in een boom (Vrouw in boom II 1995). Zittend op een tak klampt zij zich vast aan de brede stam. De Bruyckere vergelijkt het isolement waarin de vrouw verkeert met een kind dat zich verschuilt en denkt ‘als ik hen niet zie, kunnen zij mij ook niet zien.’ Over haar dekenvrouwen zegt ze: ‘De relatie tussen tonen en schuilen is een relatie die zich voordoet binnen één beeld. Het beeld dekenvrouw heb ik voor het eerst gemaakt in de periode van de genocide in Rwanda in 1993-1994. Ik toon een beeld van iemand die eigenlijk niet gezien wil worden. Op dat moment was ik zelf bezig met de vraag naar de essentie van het huis. Voor mij betekent dit een plek om te kunnen schuilen, alleen te zijn, te kunnen denken. Toen zag ik mensen op de vlucht met alleen een deken om zich te beschermen, te dekken. Zo is het beeld voor mij ontstaan.’
De bedreigde geborgenheid spreekt ook uit een installatie met drie bedden (zonder titel 1996). De twee eenpersoonsbedden en het kinderbed zijn zwaar beladen met een laag van honderd kleurige dekens. Op verschillende plaatsen wordt de dekenlaag doorboord door diepe ronde gaten.
Haar bijdrage aan het buitenproject Speelhoven ’98 was een groot bloementapijt van 18 bij 27 meter, gemaakt van 112.000 begonia’s. In zekere zin herinnerde dit aan het vroege werk I Never Promised You a Rose Garden (1992), dat bestond uit een rek met rieten manden gevuld met rozen van lood. Maar het begoniatapijt memoreert ook de vergankelijkheid in het verwelken, verdrogen en uiteindelijk verrotten en verdwijnen van de bloemen.
Aangrijpend is de installatie met vijf dode paarden: In Flanders Fields. Dit werk heeft Berlinde De Bruyckere in de zomer van 2000 gemaakt en getoond in het In Flanders Fields Museum te Ieper. Zij heeft afgietsels van paardenlichamen met de vacht overtrokken en gemodelleerd in de dramatische poses van hun doodsstrijd. De machtige paarden verbeelden hier wanhoop en kwetsbaarheid, als in Picasso’s Guernica gebroken en verwrongen in hun val. Bij de tentoonstellingen Lustwarande, pleasure garden (Tilburg 2000) en Locus/Focus (Sonsbeek 9, Arnhem 2001) hing zij afgietsels van paardenlichamen, tot schrik van menigeen, hoog in de bomen.
De thematiek van vergankelijkheid en de dualiteit van leven en dood komt ook in het werk in de collectie van De Pont tot uitdrukking; Het hart uitgerukt is de titel van een serie getekende portretten uit 1997-1998 waarin morbide koppen ons met holle ogen aankijken. Van het beeld Aaneen-genaaid I (2000) wordt de romp gevormd door dichtgenaaide dekens terwijl de blote benen de amorfe gestalte nog maar net stabiliteit lijken te geven. En de gelijknamige reeks tekeningen toont lichaamsvormen die met elkaar versmolten zijn.
Berlinde De Bruyckere op Klara.be