Toon Verhoef

Voorburg NL 1946, woont en werkt in Edam

Zonder titel
2012
olieverf en alkyd op linnen
150 x 100 cm
2013.TV.16

In  dunne groene lijnen is hier de vreemde vorm van het motief overzichtelijk getekend. Oorspronkelijk heeft die fantasie zich ontplooid in een tekening. Daar was het los gekrabbeld, herinner ik me, met pastelkrijt; als je dat zacht over het papier beweegt, krijg je een wazig grijze lijn. Je kunt je, kijkend naar de groene versie hier, de lijnen zo vaag voorstellen: zoekend, doelloos, dwalend. Want voordat deze vorm iets als een figuur werd, waren het eigenlijk alleen maar lijnen die op zoek zijn - naar iets dat zich misschien zal onthullen. Stel je een beek voor met in de stroom een klein obstakel (een tak, een stuk steen) zodat daar dunne lijnen of sporen ontstaan die vanaf dat punt met de grillig bewegende stroming van het water wat meeslingeren. Iedereen heeft wel eens naar het wonderlijk onberekenbare schouwspel van stromen, kolkend water zitten kijken. De tekening begon met een eerste dolende lijn - achtergelaten door de tastende hand van de kunstenaar met een stukje krijt in de vingers. Die eerste lijn was min of meer doelloos. Die lummelde een beetje en slingerde schuin naar beneden want dat is de natuurlijke beweging van de hand. Op de eerste aarzelende lijn volgde een tweede die wat zekerder bewoog omdat ze zich ergens op kon richten - namelijk op de eerste lijn. Toen zo de bevende lijnen zich begonnen te groeperen, zijwaarts naar beneden uitwaaierend, ging zich iets aftekenen dat op een vorm leek. Zo kwamen er ook andere, dwarse lijnen in het spel. Zoals echter die vreemd gegroeide vorm hier in het schilderij verschijnt, ziet die er omdat ze al bestond iets beslister uit. Ze is motief geworden. Onwillekeurig blijf je dan ook kijken of het iets voorstelt. Laat ik zeggen: een schematisch silhouet van een kerstboom. Maar ook het lijken op een jas die vreemd slordig aan een spijker is opgehangen. De vorm kan op veel lijken wat je, al naar gelang je geluimd bent, zo al invalt. Het is echter een vorm die eigenlijk niets voorstelt. De figuur heeft een karakter dat vreemd en onuitputtelijk suggestief is. Dat is haar rol. In deze groep schilderijen heeft de kunstenaar bedacht verbindingen ermee te bekijken met stukken streep. Dat soort mise-en-scène is het programma. Het motief ligt hier, in teder groen, met sierlijke lijnen getekend op een stralend helder veld van wit met daarin een vleug van dun geel. In dat stralende morgenlicht zie ik de strepen nu dartelen als evenzoveel ballen die door de jongleur in de lucht omhoog gehouden moeten worden. De strepen (opnieuw in de typische configuratie die de beweging van het motief volgen) zijn ook licht van gewicht. Eerst waren ze licht oranje, nadien zijn ze dun over geschilderd met ongeveer dezelfde kleur als de achtergrond. Ze werden doorzichtig zodat ze wervelen en wiegen als bloesems. In het stralend lichte veld van de achtergrond heb ik bovendien ragfijne slierten van nog wittere verf gezien waardoor het schilderij ging glinsteren als druppels dauw aan een spinnenweb in de morgenzon.

R.H. Fuchs