James Turrell

Los Angeles USA 1943, woont en werkt in Flagstaff, Arizona

In veel werken van de Amerikaanse kunstenaar James Turrell gaat het om de complexiteit van de waarneming van het licht. Wedgework III (1969) is daarop geen uitzondering. Wie via de lichtsluis de donkere, geblindeerde ruimte betreedt, ziet een volume van fluorescerend violet licht. Het is alsof het immateriële lichtschijnsel een tastbare gestalte heeft aangenomen in de vorm van een wig. De lichtbron blijft uit het zicht, alleen de projectie is te zien. Dit zuivere licht wil niets anders zichtbaar maken dan zichzelf. Het belicht niet een object, het is zelf object geworden.

James Turrell maakte zijn eerste werken in de jaren zestig, toen hij met Robert Irwin, Douglas Wheeler en anderen deel uitmaakte van de Californische Light and Space Movement. Voor deze groep kunstenaars had het kunstwerk als object afgedaan. Het ging hen om de fenomenologie van de waarneming, om een puristisch onderzoek naar de visuele ervaring. Hun analyses leidden tot het creëren van zogeheten environments, zorgvuldig gecalculeerde ensceneringen van licht en ruimte die opmerkelijke optische effecten bij de kijker teweegbrengen.

Als piloot en cartograaf weet Turrell dat theoretische modellen die ontwikkeld zijn om licht, kleur en ruimte te begrijpen, slechts een beperkte geldigheid hebben. Zijn waarnemingen vanuit de cockpit vormen voor hem een belangrijke inspiratiebron, bijvoorbeeld de veranderingen in licht en kleur die plaatsvinden bij een koerswijziging in de avondschemering, of de invloed van wisselende weersomstandigheden op de perceptie van de ruimte. ‘Als je hoog genoeg gaat, kun je de reflecties van het licht op de maan zien veranderen,’ vertelt hij in een interview. ‘Terwijl het licht voorbij glijdt, verandert de kleur. Je kunt dingen kennen zonder ze aan te raken, zonder ermee om te gaan, zelfs zonder erbij te zijn. Je kunt dingen voelen met je ogen. Observatie staat veel dichter bij denken dan woorden.’

James Turrell situeert zijn kunst ergens tussen logisch redeneren en zuivere  observatie. Hij wil zijn publiek bewust maken van de eigen waarneming, door werken te creëren die de discrepantie tussen weten en zien aan het licht brengen. Vertrouwde Cartesiaanse verklaringen schieten hier te kort. Toch is wat Turrell ons laat zien geen illusie of fictie, maar de verbazingwekkende realiteit. Turrell: ‘Tot op zekere hoogte kijken we naar de werkelijkheid die we zelf creëren, net zoals wetenschappers de subatomaire deeltjes ontdekken waarnaar zij op zoek zijn. Het kijken staat bijna gelijk aan creatie.’

Turrell toont het licht zoals het zich ter plekke in een zorgvuldig berekende constructie voordoet; niet het licht zoals hij dat elders en op een ander moment heeft waargenomen. Hierin onderscheidt hij zich van schilders die zich intensief op de weergave van het licht hebben geconcentreerd. Monet, Seurat, Cézanne, Rothko, Newman – zij tonen hoe zij keken en maken dat door middel van het schilderij als plaatsvervangende ervaring zichtbaar. Turrell, een kunstenaar met het oog van de schilder en het inzicht van de piloot, toont ons het licht zelf, in al haar complexiteit, in al haar schoonheid.

Naast kunstlicht werkt Turrell ook met het licht van de zon. In grootschalige projecten als Roden Crater, het magnum opus waar hij sinds 1977 aan werkt, geeft hij vorm aan de waarneming van de hemel. In een uitgedoofde vulkaan in de Painted Desert bij Flagstaff in Arizona, is een enorm observatorium gepland, te bereiken via twee betonnen tunnels. Vanuit het centrum van deze krater ervaart de bezoeker, liggend en naar boven kijkend, de immense diepte van het hemelgewelf: het neemt de vorm aan van een omgekeerde kom. Wanneer het project voltooid is, zal de krater veranderd zijn in een reusachtig astronomisch monument, waarin het licht in haar voortdurende veranderlijkheid tot beeld is geworden.

Op kleinere schaal heeft Turrell een soortgelijk project uitgevoerd in een duinpan bij Kijkduin (een adequatere plaatsnaam is nauwelijks denkbaar). Hemels Gewelf (1996) bestaat uit een kunstmatig aangelegde duinpan, zo’n vijf meter diep, dertig meter breed en veertig meter lang, die via een betonnen doorgang te betreden is. Liggend op de bank van natuursteen in het midden zie je hoe de hemel als een omgekeerde halve bol op de randen van de duinpan lijkt te rusten. De elliptische vorm van dit werk functioneert als een gigantische oogkas, een optisch instrument dat de oneindige ruimte contouren geeft en de onzichtbare vorm van het licht zichtbaar maakt.

‘Ik ben geïnteresseerd in onzichtbaar licht, het licht dat alleen met de geest waarneembaar is,’ verklaart Turrell. ‘Ik wil me bezighouden met het licht dat we zien in dromen, werk maken dat van dergelijke plaatsen afkomstig lijkt, om een ervaring van woordenloze gedachten te creëren.’

Voor meer informatie, foto'e en audiovisuele documentatie over het werk van James Turrell, zie PBS/Art21 

Klik hier voor een video over het maakproces van zeefdrukken