Giuseppe Penone

Garessio Italië 1947, woont en werkt in Turijn

Penone was de jongste vertegenwoordiger van een groep Italiaanse kunstenaars die aan het einde van de jaren zestig door de criticus Germano Celant onder de noemer arte povera (‘arme kunst’) bijeen werd gebracht. Een van de kenmerken van hun kunst was het gebruik van alledaagse en weinig kostbare materialen, zoals vodden, aarde, takken en steenkool. De informele en levendig uitziende kunstwerken werden wel gezien als een reactie op de toenemende abstrahering en verontmenselijking van met name de Amerikaanse kunst van die periode. Tot de thema’s van de arte povera behoorden de wortels van de cultuur en het leven, verschillende bronnen van energie, en vooral energie als oerkracht. Penone is de enige in wiens werk de natuur het belangrijkste motief was. Met de groeikracht van de natuur en in het bijzonder die van bomen, lijkt hij nog steeds in een intense en obsessieve relatie te staan.

Heel bekend zijn de Alberi (Bomen), waarmee Penone al in 1968 begon. Steeds haalt hij uit rechthoekige houten balken of uit een afgehakte dikke boomstam de grillige levensvorm van de boom weer tevoorschijn. Door de jaarringen weg te schillen en daarbij de knoesten te volgen, treedt de vorm die de boom op een bepaald moment van zijn leven bezat opnieuw naar voren. Wie deze werken eenmaal heeft gezien zal voortaan bij iedere gerooide stam en bij iedere willekeurige balk die hij als bouwmateriaal aantreft, beseffen dat daarin in feite tal van bomen schuilgaan. ‘Elk jaar wordt hij herboren en bergt hij de herinnering aan zijn boom-zijn in zichzelf op’, schrijft Penone over de boom, en het is deze verborgen herinnering die Penone blootlegt.

Penone’s referenties aan de natuur gaan vrijwel altijd gepaard met gebaren die aan zijn eigen lichaam herinneren. De grote installatie Palpebre (Oogleden) uit 1989-1991 is samengesteld uit fragmenten die ieder op zich ‘ooglid’ zijn. Met houtskool op vilt heeft Penone de fijne aderpatronen van het oogscherm weergegeven. De geloken vormen van de afzonderlijke elementen gaan op in het monumentale landschap van de grote installatie en worden verbonden door kleine witte ‘ankers’: afdrukken in gips van een gedeelte van Penone’s gezicht, waarop hij zijn vingerafdruk heeft aangebracht. Het geheel maakt een organische indruk, alsof aan de opeenvolging van elementen een bepaalde groeiwijze ten grondslag ligt. In zijn teksten legt Penone bovendien een verband tussen de vorm van de oogleden en een natuurlijk landschap, waarin de heuvels ‘een oneindige reeks op de ruimte gerichte ogen’ vormen.

Penone’s werk gaat over het verlangen naar vereniging van mens en natuur, twee entiteiten die zich in de westerse samenleving ver van elkaar hebben verwijderd. Voortdurend probeert hij een lichamelijk, sensueel en poëtisch contact tussen de twee te realiseren. In recente werken komen vingers – het meest gevoelige tastzintuig – en vingerafdrukken menigmaal voor. Penone suggereert een verwantschap tussen zijn vingers en de takken van een boom of neemt zijn vingerafdruk als het vertrekpunt van concentrische, onregelmatige lijntekeningen die allengs op jaarringen van bomen gaan lijken. Zijn vingerafdruk, het unieke teken van zijn identiteit, wordt zo het centrum van almaar uitdijende groeilijnen. Het is een uitgesproken sensueel gebaar, dat bovendien duidelijk maakt dat de kunstenaar, en daarmee in feite ieder wezen, de kern vormt van zijn omgeving, de wereld waarvan hij zowel schepper als deelgenoot is.