Marc Mulders

Tilburg NL 1958, woont en werkt in Oirschot

Het oeuvre van Marc Mulders wordt bepaald door wat misschien wel het grote thema in de kunstgeschiedenis is: de eeuwige cyclus van leven en dood. De uitdrukking van leven en sterven, dood en herrijzenis, heeft in de westerse schilderkunst lange tijd centraal gestaan en Mulders plaatst zichzelf bewust in die traditie. In reeksen schilderijen werkt hij deze thematiek uit en verkent hij de picturale mogelijkheden ervan. Daarbij is zijn werkwijze geenszins objectief of puur observerend, maar uiterst betrokken en geladen. Schilderen betekent voor Mulders inleving, en zijn expressieve, pasteuze schilderijen zijn de weerslag van zijn worsteling met  zowel de onderwerpen als met de materie waarin hij deze transformeert. Want uiteindelijk gaat het hem erom dat de cyclus van leven en dood zich ook in het schilderij voortzet, dat de verf van dode materie tot levend beeld wordt.

In de vroege werken van Mulders zijn vaak motieven te zien die direct uit de christelijk-religieuze traditie afkomstig zijn: de lijdende Christus, de kruisiging, de doornenkroon en de Piëta. Dikwijls refereert hij daarbij aan het werk van kunstenaars voor wie hij ook in schilderkunstig opzicht grote bewondering heeft: Rembrandt, Mantegna, Dürer en Grünewald.

De katholieke iconografie biedt Mulders een herkenbare symboliek voor het menselijk drama, voor het lijden en de hoop op verlossing. Zijn verwijzingen en beeldcitaten betekenen echter niet dat hij slechts nostalgisch terugblikt op een verloren religiositeit in de kunst. Integendeel, de schilderkunst heeft voor hem niets ingeboet aan de kracht waarmee zij verslag doet van de wereld. Mulders actualiseert voortdurend de traditionele beelden en betekenissen door ze te relateren aan de hedendaagse samenleving, aan het geweld in oorlogsgebieden of in de suburbs van de grote steden waarmee de media ons dagelijks confronteren. 

Na de doeken met meer uitgesproken religieuze thema’s ontstaan reeksen schilderijen van bloemen en dood wild, vissen en gevogelte. Mulders schildert het wild niet als tafereel in de klassieke zin van het jachtstilleven of als een macabere voorstelling van vlees en bloed. Zijn doel is niet zozeer de weergave, maar de transformatie van het beëindigde leven in een dynamisch beeld. De schoonheid van het lichaam en de huid wordt als het ware in de verf herboren. Het wild, gevild, opgespannen of ‘aan de haak geslagen’ toont als een spiegel onze eigen kwetsbare lichamelijkheid. Door de intensiteit van het schilderen, nat-in-nat en laag over laag, ontstaat een bijna fysieke relatie tussen het onderwerp en de afbeelding. In Mulders’ eigen woorden: ‘het vlees wordt verf en de verf wordt vlees.’

Tegenover de onontkoombare sterfelijkheid toont de kunstenaar echter ook de schoonheid van het leven en Mulders’ schilderijen zijn vaak onbeschaamd mooi. De pasteuze verf spat in vitaliteit van het doek, de kleuren stralen in felheid of liggen juist verscholen in prachtige nuanceringen. Kwaststreek en lijnvoering zinderen van energie en expressie. Tot aan de rand van de esthetiek gaan de stillevens met bloemen. Knoppen, kelken en volle meeldraden getuigen van de zinnelijkheid van het leven. Ook deze pracht heeft echter een kortstondigheid die ons onze vergankelijkheid doet beseffen. Mulders schildert zijn boeketten immers in alle stadia van bloei en verval. Hij schildert het leven als het in schoonheid openbarst en hij betrapt het moment waarop het zich te ruste legt.

Zie voor meer informatie de website van Marc Mulders.