Kees de Goede

Koog aan de Zaan NL 1954, woont en werkt in Amsterdam

Het oeuvre van Kees de Goede is geen aaneenschakeling van op zichzelf staande incidenten, maar ontwikkelt zich door middel van series, waarbij De Goede, ondanks de beperking tot een aantal beeldelementen, toch een grote dynamiek weet te creëren. In de stilering van zijn vormen (die vaak het midden houden tussen geometrisch en organisch) en de precieze doorwerking van materialen en kleur, manifesteert zich een constructieve manier van werken. Ieder werk is het resultaat van zorgvuldige overwegingen.

In zijn vroege werk manipuleerde De Goede beeldvlak en spieraam tot heel materiële en beeldbepalende factoren. Zijn fragiele werken van het eind van de jaren zeventig bestaan bijvoorbeeld uit een vliesdunne drager van rijstpapier, opgespannen tussen bamboe, waarbij de geleding van het bamboe de plaatsen bepaalde vanwaaruit geometrische motieven en lijnen vertrokken. Enkele jaren later ontstonden schilderijen die over een ruwe constructie van boomtakken waren gespannen en hing hij doeken als zakken over een skelet van takken, waardoor een lege sculpturale vorm – ‘een beeld zonder vlees’ – ontstond.

Een aantal van deze werken heeft een onbestemd open centrum, alsof De Goede een diepte wil omkransen waarvan de betekenis niet kan worden gearticuleerd. Dit tijdloze en bewegingloze verdwijnpunt is ook te vinden in de cirkelvormen die de laatste tien jaar in zijn werk een belangrijke rol zijn gaan spelen – cirkels, waarbinnen andere cirkels geheel of ten dele zichtbaar zijn. Het (sterk geabstraheerde) motief is geïnspireerd op het fantastische perspectief van een plafondschildering van de vijftiende-eeuwse Italiaanse schilder Andrea Mantegna, waar, als vanaf een grote hoogte, engelen over een rondlopende balustrade naar beneden kijken.

In Zonder titel (1994-1995) verschijnt dit motief nu eens positief dan weer negatief, of binnen een kring van onregelmatige cirkels. Een onderliggend raster van elkaar kruisende lijnen suggereert dat de vormen steeds vanuit het brandpunt van zo’n kruising ontstaan en uitdijen. Overlappingen, en tegenstellingen tussen donker en licht, groot en klein, geven de locaties ook in de diepte reliëf. ‘Hoe ziet de wereld eruit en hoe het heelal? Waar bevind ik me en hoe verhoud ik me tot de rest?’ Zo formuleerde De Goede eens de vragen die hij zich tijdens het werk stelt. Al schrijvend en tastend laat hij mogelijke constellaties zien, waarbinnen begrippen als plaats en identiteit steeds verschuiven.