Jan Dibbets

Weert NL 1941, woont en werkt in Amsterdam

Eind jaren zestig van de vorige eeuw verschuift overal in Europa en de Verenigde Staten de aandacht van het kunstwerk als ‘af’ product naar de ideeën en processen die er de basis van vormen. Veel werken hebben een tijdelijk karakter of behelzen zelfs een éénmalige gebeurtenis. Foto’s en notities getuigen van het elan van deze tijd en critici verzuchten dat ‘alles’ geoorloofd lijkt. Jan Dibbets wakkert in Nederland het vuur aan.

De schilderkunst lijkt in deze tijd als medium achterhaald. Jan Dibbets, die als schilder begon en zich ook verrassend snel weer zo zal noemen, maakt gebruik van de fotografie, waarmee hij de waarneming en het beeld nieuwe impulsen weet te geven. In zijn perspectiefcorrecties bijvoorbeeld, krijgt de spanning tussen ruimte en vlak een volstrekt onverwachte gestalte.

Zo komt in Perspective Correction, My Studio i, i: Square on Wall (1969), een geometrische vorm (een trapezium dat Dibbets op de muur van zijn atelier heeft aangebracht) op geheimzinnige wijze los van de achterwand. Door de vertekening wordt het een vierkant dat vrij in de ruimte lijkt te zweven. Het beeld intrigeert en roept tegelijkertijd vragen op over het verschil tussen fotografische ‘werkelijkheid’ en schilderkunstige ‘illusie’. In hetzelfde jaar toont Dibbets in een sequentie van foto’s de geleidelijke verandering van het licht dat door de ramen van zijn atelier naar binnen valt. Het is een poëtisch en geconcentreerd beeld van een tijdsverloop, dat zich bijna aan de directe waarneming onttrekt.

De wellicht bekendste werken van Dibbets stammen uit de jaren zeventig. Het zijn collages van foto’s die zijn fascinatie voor de werkelijkheid en de vaak onverwachte visuele structuur ervan laten zien (de lijnen in een landschap, weglopende stoeptegels, bewegingen en reflecties in het water), maar die toch altijd méér zijn dan een verzameling van verschillende gezichtspunten. De constructies vormen vaak ook op zichzelf een ongewoon en verrassend beeld. In Dutch Mountain/sea (1971) bijvoorbeeld, laat Dibbets de zee vanaf verschillende zijden op de kijker toestromen, terwijl het panorama als geheel als een berg omhoog rijst.

Veel van Dibbets werken verraden zijn liefde voor architectuur. Niet alleen door de uitgelezen voorbeelden, maar ook door zijn aandacht voor de relatie tussen kijker en ruimte. Zoals een grote ruimte zich in wisselende perspectieven laat verkennen, waarbij de kijker in het middelpunt van zijn verplaatsingen blijft, zo houdt ook de gebogen vorm waarin Dibbets zijn opnamen aanbrengt de kijker in het centrum. Tegelijkertijd wordt ieder perspectief in zekere zin opnieuw imaginair, als ‘beeld’. Je kijkt als het ware naar een ruimte waar je niet binnengaat; naar vormen en licht die puur ter aanschouwing daar zijn.