Thierry De Cordier

Oudenaarde België 1954, woont en werkt in Oostende

Thierry De Cordier heeft van het ‘tegenspreken’ van de wereld zijn hoofdbezigheid gemaakt. Niet uit koppigheid of arrogantie – hoewel hij veel ‘leugens’ achterhaald heeft – maar als experiment, om te zien waar hij zal belanden. In ouderwets handschrift schreef hij dat hij romantisch en melancholiek is, en hij noemde zich een vermoeid filosoof en uitvinder van doeltreffende systemen om het geluk te vinden. In zekere zin zijn zijn tekeningen, teksten en sculpturen boodschappen aan zichzelf: vermaningen, zelfbespiegelingen, relativeringen, bedoeld om zichzelf en anderen beter te begrijpen. Zijn beelden, die veelal van armzalige afvalmaterialen zijn gemaakt, brengen de tekortkomingen van het menselijk bestaan tot uitdrukking, maar ook de ascese, de moraal en de menselijke waardigheid.

Gedurende bijna een decennium (1976-1985) zag De Cordier ervan af om aan deze overvolle wereld nog kunstobjecten toe te voegen. Om toch weer aan het werk te kunnen gaan bedacht hij de verloren binnenruimte van grote beelden een dagelijkse functie te geven – als kweekbed voor paddestoelen, wijnreservoir, droogkamer voor kruiden, scriptorium, afvalcontainer en wat al niet. Een minder alledaagse functie lijkt toebedeeld aan Veldstudio (observatorium voor de studie van het landschap) uit 1995. ‘Hierin bereid ik mij voor om schaterlachend deze eeuw te verlaten’, staat er in het Frans op geschreven. Het primitief uitziende beeld zou inderdaad met enige moeite plaats kunnen bieden aan iemand die gehurkt door het zwarte vensterglas de buitenwereld gadeslaat. Helemaal van contacten afgesloten hoeft deze persoon daarbij niet te zijn: een antenne op het dak staat klaar voor de ontvangst van berichten van buiten en de deur waamee de zonderlinge cabine afgesloten is, blikt als het ware naar de buitenwereld terug – twee spiegeltjes en een provisorisch slot vormen er samen een gezicht.

De Cordier leeft zo ver mogelijk afgezonderd van de door hem zo verfoeide kunstwereld, vastbesloten om de wereld te denken vanuit zijn achtertuin en het tuinieren te praktizeren. Hij vertelt hoe hij als kind al de blinde drang voelde om altijd weg te gaan: met zware rugzak in de ouderlijke tuin ronddwaalde, zelfgemaakte tenten opstelde, die dan weer werden afgebroken en verplaatst. ‘Vandaag is er niets veranderd. Ik heb me hier als het ware andermaal min of meer opgesloten in een tuin en ik hou er het huis zoals een zieke het bed houdt ... ik loop niet ver weg ... ik verdwijn in het hoofd ... verlies het ...’

De werken waarin De Cordier een beeld van zichzelf schept, bevinden zich op de grens tussen zwijgen en spreken, tussen weten en vergeten. Moi (Ik) uit 1991 is een kleine, diep in zichzelf weggedoken kop-voeter, zonder gelaat en met een kruin van wat haren en twijgjes. Een soortgelijke zelfbeeltenis maakt deel uit van de collectie van De Pont, maar wordt op verzoek van de kunstenaar niet gefotografeerd. a,a,a... is de titel, die wijst op het stamelen, op de onmacht om het woord tot ons te richten. Net als in al zijn andere werken probeert De Cordier met dit wonderlijke beeld zijn gecompliceerde verhouding tot de wereld te verbeelden, het conflict tussen filantropie en misantropie, tussen de wil tot spreken en de behoefte aan afzondering.