Sophie Calle

Parijs Frankrijk 1953, woont en werkt in Parijs

De kunst van Sophie Calle beweegt zich tussen de wil om greep te krijgen op het bestaan en het verlangen er zich aan over te geven. De werken waaraan gebeurtenissen uit haar privéleven ten grondslag liggen, vinden een tegenhanger in die waarin het eerder andersom is; in werken waarin de kunst zijn stempel drukt op haar dagelijks leven. Als kind al hield Calle van rituelen. Sinds 1979 hebben die in haar werk een plek gekregen in de strategieën die haar doen en laten bepalen en structureren. Sophie Calle speelt het spel met grote inzet en volharding en doet daarvan in haar kunstwerken verslag op een even feitelijke als ingetogen wijze.

Door het leven op te vatten als een spel dat volgens bepaalde regels dient te worden geleefd, schept zij een ruimte waarbinnen zij zich kan overgeven aan het onverwachte en onvoorziene. In 1979 besloot Calle willekeurige passanten te volgen en zich door hen mee te laten voeren door de straten van de stad. Sindsdien heeft zij talrijke scenario’s bedacht waarin zij de ander in zijn eigen intimiteit probeert te benaderen. Het meest expliciet deed zij dat in The Sleepers (1979) een actie waarin zij mensen vroeg enkele uren in haar bed te komen slapen; het meest ‘brutaal’ in The Address Book (1983). De titel slaat op het boekje met adressen dat Sophie Calle in juni 1983 vond op straat. Geïntrigeerd door de onbekende eigenaar, probeerde zij hem beter te leren kennen, niet tijdens een ontmoeting maar via de beschrijvingen van vrienden en relaties, van wie zij de gegevens in het adresboekje aantrof. 

Sophie Calle heeft haar eigen bestaan een belangrijke plaats gegeven in haar werk. De documentaire manier waarop zij haar werk presenteert, suggereert een hoge mate van feitelijkheid. Waar feit en fictie in elkaar overgaan is voor de kijker nauwelijks te achterhalen. Onder de indruk van de suggestieve kracht van haar werk, baseerde Paul Auster in zijn roman Leviathan (1983) het gedrag van het personage Maria op episodes uit het leven van Sophie Calle. Op haar beurt vroeg Calle de Amerikaanse schrijver een fictief karakter te bedenken, dat zij in het werkelijke leven zou kunnen aannemen. Dat weigerde Auster, wel gaf hij haar een aantal instructies ‘ter verbetering van het leven in New York’. Gotham Handbook (1994) doet daarvan verslag en toont onder meer de openbare telefooncel die Sophie Calle midden in New York adopteerde om deze vol toewijding te veranderen in een plek van warmte en gezelligheid.

Soms is de verbintenis tussen kunst en werkelijkheid die Sophie Calle opzoekt licht en poëtisch, dan weer klinkt een dramatischer ondertoon. In haar werken maakt zij ons daarvan deelgenoot, tegelijkertijd houdt zij afstand en laat zij ruimte voor eigen invulling en interpretaties van de kijker. De handelingen die zij verricht om het leven te lijf te gaan zijn invoelbaar en minder particulier dan het dagboekachtige karakter van haar werk suggereert.